Archive

Archive for July, 2004

FEM 7-04 Dutch disease – Aardgasbaten – Loonmatiging

Dutch Disease

De uitdrukking is afkomstig uit Engeland – waar ze nog meer charmante uitdrukkingen weten voor de Hollanders, bij voorbeeld “Dutch treat” voor een feestje waar iedereen voor zichzelf moet zorgen. De economen Corden en Neary introduceerden in 1982 de term Dutch Disease voor een land waar het manna van het gratis aardgas een nare smaak krijgt en lijkt te leiden tot méér in plaats van minder rijkdom. Nederland deed het inderdaad opvallend slecht in de periode na de eerste oliecrisis (1973-75), juist toen het aardgas uit Slochteren miljarden begon op te leveren. Tussen 1973 en 1990 groeide de economie in Nederland slomer dan in Frankrijk, Duitsland, Italie, Belgie en Luxemburg (de vijf partners in de EEG), en bleef ook achter bij Engeland (olie in de Noordzee), Noorwegen (olie) en – buiten Europa – Canada (gas).

Corden en Neary hadden een puur economische verklaring voor de Dutch Disease. In hun economisch model zijn er drie sectoren: de winning van aardgas (of olie), de industriele export en de binnenlandse economie waar buitenlandse handel en de wisselkoers niet relevant zijn. Het gas wordt geexporteerd, en de voorraad internationale deviezen neemt dus toe. Bij Corden en Neary is er geen tegengestelde stroom van beleggingskapitaal, zodat een overschot op de lopende rekening door méér verkoop van gas direkt leidt tot méér geld in Nederland en tot hogere prijzen en lonen. Bij de kapper is dat geen probleem: met hun hogere loon betalen de klanten de hogere prijs, en alleen in Baarle-Nassau of Winterswijk wordt het de moeite waard om in het buitenland naar de coiffeur te gaan. Schade komt binnen bij de exporterende industrie die marktaandeel verliest vanwege de hogere binnenlandse kosten.

Het economisch model van Corden en Neary paste bij twee typerende trends in Nederland vijfentwintig jaar geleden: een hogere inflatie dan in Duitsland en Belgie en werkloosheid in de industrie. Maar waarom geen Double Dutch Disease in Noorwegen? Twintig jaar later proberen economen de puzzel beter te verklaren. We weten nu dat er in de rijke landen gemiddeld geen Dutch Disease heerst: Noorwegen, Canada en Australie hebben geen last van hun rijkdom aan grondstoffen, maar wereldwijd is er wel een ander verband. Middle income countries met veel olie en periodieke verkiezingen (Venezuela, Nigeria) lijken het slechter te doen dan landen met olie maar zonder echte democratie (de Golf-staten, Iran).

Wat kan Nederland leren van dit nieuwe patroon? Noorwegen is een glanzend voorbeeld van een land dat wijs genoeg was om de winst van de olie gescheiden te houden van het lopende budget van de overheid. Precies wat Nederland had moeten doen en dan was er nooit een Dutch Disease geweest, maar dat is wijsheid achteraf. Australie was heel lang een economische achterblijver, maar heeft nu een beter werkende arbeidsmarkt en meer marktconform hoger onderwijs dan Nederland. Australie (en Nieuw-Zeeland) moeten ook wel slim zijn met het beleid want de geisoleerde ligging in de stille Zuidzee is een groot economisch nadeel. Canada en Australie hebben trouwens ook nog lessen voor Nederland als het gaat om immigratie.

Als we dit allemaal combineren, dan verschijnt het volgende beeld voor Nederland: een democratie zal altijd moeite hebben om verstandig te reageren op de luxe van bijna gratis geld uit aardgas of olie. Het grootste gevaar is dat politici tegen elkaar gaan opbieden met leuke dingen voor de mensen en dat ze vergeten om op de concurrentie te letten. Canada kan niet lang doorgaan met politieke fantasieen, want anders emigreren artsen, ingenieurs en ondernemers naar de V.S. Australie en Nieuw-Zeeland hebben harde verkiezingen uitgevochten om hun welvaartsstaat aan te passen aan de eisen van de wereldeconomie. Nederland probeert met consensus de economie sterker te maken, maar laat dan vaak zinvolle (en dus altijd controversiele) maatregelen achterwege bij een eenzijdige nadruk op loonmatiging. Gebrekkige analyse en een te eenzijdig recept dat fantastisch werkt in de rekenmodellen, maar in werkelijkheid erg veel tijd kost – en dus de economische groei onnodig lang onder druk zet. Meer daarover de volgende keer.

Leuke dingen voor de mensen

Geld uit het aardgas dat rijkelijk stroomt en politici die tegen elkaar opbieden met “leuke dingen voor de mensen” – dat was het treurige recept van Nederland tijdens de kabinetten Den Uyl (1973-77) en Van Agt-Wiegel (1977-81). Oppervlakkig beschouwd leek het alsof door de winst op het aardgas de lonen te snel stegen en daardoor de industrie niet meer kon concurreren met andere landen. De diepere oorzaak was echter niet het aardgas – kijk naar Noorwegen, Australie en Canada waar iedereen juist blij is met de aanwezigheid van grondstoffen. Alleen in combinatie met foute economische ideeen en foute politieke campagnes werd aardgas tot een explosief mengsel dat grote schade aanrichtte. Politici in Den Haag en journalisten in Amsterdam en Rotterdam deden meer kwaad dan de gasbel in Slochteren.

Tussen 1973 (laatste jaar vóór de hogere olie- en gasprijzen) en 1979 (laatste jaar vóór de recessie) groeiden de kosten van de ambtenarij met meer dan 100 procent. De overheid besteedde niet alleen alle winst op het aardgas maar ging ook nog 3 procent van de economie per jaar extra lenen. Journalisten en politici waren ervan overtuigd dat de lonen bij overheid en bedrijfsleven ieder jaar ten minste zo hard moesten stijgen als het jaar tevoren; dan was er genoeg koopkracht voor de bestedingen in de winkels. Onzin, maar wijdverbreide onzin, waar zelfs De Nederlandsche Bank onder president Zijlstra aan mee deed.

De echte makke van de periode na 1973 was premier Den Uyl die in zijn beroemde Nijmeegse rede uitlegde dat voortaan alleen de overheidssector nog zou groeien. Shell opende een nieuw kantoor aan het Hofplein in Rotterdam en de wethouder verklaarde dat dit de laatste keer was dat een multinational welkom was in de stad. Zo guur was het klimaat waarin het bedrijfsleven moest opereren, en dat lukte dus niet. Na 1982 duurde het heel wat jaren van soberheid voordat Nederland de schade had gerepareerd. Het recept had drie onderdelen: een eenmalige bezuiniging bij de overheid, het afschaffen van de automatische prijscompensatie in de lonen, en een hoge werkloosheid die de vakbond vanzelf heel voorzichtig maakte.

Dat recept kan Nederland in 2004 niet nog een keer uitschrijven. De overheid is al goedkoper dan gemiddeld in Noord-West Europa, maar de files en de criminaliteit zijn hoger dan elders – het zou onlogisch zijn om dan extra te besparen bij de overheid. De prijscompensatie is nooit meer opnieuw ingevoerd en hoeft dus ook niet voor de tweede keer te worden afgeschaft. En laten we hopen dat de werkloosheid niet opnieuw stijgt tot de piek van 9,4 procent in 1983 die toen nodig was om de vakbeweging te disciplineren (de laatste prognose voor 2005 is een werkloosheid van 7 procent, ook al erg genoeg).

De boom tussen 1997 en 2001 was niet te vergelijken met de situatie vijfentwintig jaar eerder en de recessie nu vraagt dus ook om een ander recept. De lonen stegen dee keer niet kunstmatig omdat de regering te veel geld in de economie pompte, maar omdat het bij ons beter ging dan in Duitsland. De enige grote macroeconomische fout van de regering was de invulling van de belastingverlaging van 2001 die leidde tot een inflatie van 4,5 procent in dat jaar met een machteloze toekijkende Nederlandsche Bank omdat de rente tegenwoordig in Frankfort wordt geprikt.

Er is geen snipper bewijs in de nederlandse geschiedenis dat praten en preken over loonmatiging helpt. Er resteert maar één manier om anti-inflatiebeleid te voeren bij een vaste wisselkoers en een extern gedicteerde rente en dat is een betere werking van de markten in de economie. Daarom is het goed dat minister De Geus heeft verklaard dat hij geen CAO’s zal opleggen aan bedrijfstakken (algemeen verbindend verklaren) wanneer de afgesproken loonstijging hem niet bevalt. Nu zou de minister nog een soortgelijke actie moeten nemen met het eerste ziektejaar – waar Nederland een uitzondering is in de hele wereld: ook geen CAO opleggen aan een bedrijfstak wanneer het loon voor 100 procent wordt doorbetaald tijdens de eerste twaalf maanden ziekte. Volgende keer nog een paar suggesties.

Loonmatiging

Het gaat al drie jaar lang heel slecht met de Nederlandse economie en de bedrijven maken niet genoeg winst. Tot zo ver is iedereen het eens. Verschil van inzicht komt er bij het uitschrijven van een passend recept. Traditioneel verwacht de regering veel van taboureren op het thema “loonmatiging”. Het lijkt een logische aanbeveling, maar er is één probleem: geen snipper bewijs dat koffie drinken in Den Haag helpt. Dr. Noé van Hulst van de Vrije Universiteit bevestigde in zijn proefschrift wat monetaristen zoals Uw columnist eerder al hadden beweerd: de loonstijging hangt ook in Nederland af van economische determinanten en niet van “een dringend beroep op de sociale partners”. Inflatie hoog: vakbeweging wil compensatie in de lonen. Werkloosheid hoog: vakbeweging wordt heel voorzichtig. Economie in hoogconjunctuur: werkgevers bieden méér voor personeel. Economie in recessie: werkgevers weten dat personeel niet gauw wegloopt.

Wat wél helpt zijn acties die de arbeidsmarkt beter laten werken. Bovenaan de lijst hort dan het afschaffen van het opleggen van CAO’s aan complete bedrijfstakken (het algemeen verbindend verklaren). Beginnende en kleinere ondernemers kunnen niet de hoge lonen en royale secondaire voorwaarden betalen die gebruikelijk zijn in grote, gevestigde bedrijven (dat is natuurlijk ook de reden dat grote bedrijven graag samen een CAO afspreken en die dan dwangmatig opleggen aan de kleintjes – zo maken ze toetreding tot hun sector moeilijker). Kwik-fit kon alleen maar groeien omdat het wist weg te komen uit de dure CAO van de gevestigde garage-bedrijven. Het resultaat: goedkopere service voor de klanten. Lagere prijzen houden in dat autobezitters elders meer kunnen besteden en dus stijgt in totaal de werkgelegenheid.

Alles wat minister De Geus daarom kan doen om de arbeidsmarkt beter te laten werken is behulpzaam. Applaus voor de bewindsman omdat hij heeft aangekondigd dat een CAO met een hoge loonstijging niet langer branche-wijd wordt opgelegd. Een ovatie wanneer hij ook nog zou besluiten om CAO’s terzijde te leggen wanneer ze automatisch het loon tijdens ziekte blijven aanvullen tot 100 procent in de eerste 12 maanden. Engelse bouwvakkers hebben een ziekteverzuim van 3 procent – in Nederland is dat dubbel zo veel, en de verklaring is dat in Engeland een metselaar geen 100 procent loon blijft ontvangen bij langdurige ziekte. De bouw kan efficienter werken – en de prijs van nieuwbouw gaat omlaag – wanneer wij het loon beperken tot 70 procent. Ook hier leiden lagere prijzen tot meer bestedingen elders en dus tot meer werkgelegenheid. Dát is de natuurlijke route van loonmatiging naar economisch herstel.

Er is nog een heel ander bezwaar tegen praten in Den Haag over loonmatiging. Het service-niveau van de overheid gaat omhoog wanneer het gemeentehuis ook ‘s avonds en op Zaterdag open is, en de politie in Amsterdam komt wat dichter bij het niveau van de politie in New York wanneer de agenten méér tijd op straat doorbrengen en vaker ‘s nachts werken. Dat zal allemaal niet lukken zonder instemming van de ABVA-KABO en de Algemene Politiebond. Maar als de minister van Binnenlandse Zaken het gesprek begint met de mededeling dat er geen geld is – waarom zou de vakbond dan behulpzaam zijn om de service te verbeteren en de leden harder te laten werken? Rampzalige afspraken uit het verleden – gemeenteambtenaren die nog maar 36 uur op kantoor zitten en veel te vroeg met de VUT gaan; agenten die met een comfortabele acht-ploegen dienst heel veel kunnen sporten en geen tijd over houden om dieven te vangen – waren vaak het voorspelbare gevolg van een onderhandeling waarin de minister van Binenlandse Zaken geen geld had voor hogere lonen en de vakbond dus te vriend hield met kortzichtige concessies op andere dossiers.

Op google geeft “loonmatiging” 8890 hits in Nederland, maar “wage moderation” slechts 391 hits voor de VS, hoewel dat land 18 keer zo groot is. Engeland en Ierland geven ook veel minder hits, en als mijn Fins beter was zou ik graag melden dat ze in Helsinki zich ook heel goed redden. Nederland is wereldrecordhouder praten over loonmatiging en het helpt dus niet. De Geus is begonnen op een veel betere weg van echte actie. Hoop dat hij daar mee verder gaat.

Advertisements
Categories: Uncategorized

FEM 6-04 Minder kritiek op ECB – Zwakke economie Nederland

Kritiek op ECB houdt op

We vieren deze maand dat de korte rente in Euroland al een jaar lang stabiel is. In de laatste vergadering heeft de ECB opnieuw besloten om de rente niet te veranderen en vast te houden op de 2 procent die was afgesproken in juni 2003. Het besluit van 3 juni kreeg weinig aandacht in de media. Dat was vroeger wel anders. Waar is de tijd gebleven dat een besluit in Frankfurt om de Euro-rente constant te houden direkt leidde tot een golf van kritiek van de analisten in de City? Nog maar kort geleden kregen we dan vanuit Londen te horen dat de ECB voor de zoveelste keer te laat was, hopeloos vast zat behind the curve, niets had geleerd en eindelijk eens een voorbeeld moest nemen aan de pro-actieve politiek van de Federal Reserve in Washington?

“Dim Wim”. Zo heette Wim Duisenberg in de Engelse boulevard-pers. Alles was fout aan de Europese Centrale Bank – tenminste in de hatelijke visie van de Londense analisten. Nu horen we die critici niet meer. Het is veel stiller rondom de ECB, en heus niet omdat journalisten makkelijker sympathie hebben voor de fransman Trichet dan voor de nederlander Duisenberg. Wijsneuzerij op details is er nog steeds –wanneer Trichet in de maandelijkse persconferentie zich even onhandig uitdrukt, maar de orkaan van kritiek waarin Duisenberg moest stand houden is verstomd.

Waar ging het toen over? De kritiek kwam altijd uit Londen, en had helemaal niet betrekking op de zaak waar Duisenberg en de ECB verantwoordelijk voor waren, namelijk de inflatie in Euroland. Daar viel ook niet veel op aan te merken. Bij de start van de ECB in januari 1999 was de gemiddelde inflatie 1 procent; tijdens de vette jaren voor de economie liep de inflatie iets op tot 2 ½ procent, en toen de economie in 2001 slap werd, nam ook de inflatie langzaam af, totdat de laatste maanden de extreme stijging van de olieprijs roet in het eten gooide. Als we kijken naar de inflatie in de dienstensector, dan is die al vijf jaar lang haast onveranderd op 2 – 3 procent. Ook dat cijfer laat zien dat de ECB goed bezig is, want als de arbeidsintensieve dienstensector rekent met zulke prijsstijgingen, kan de industrie waarschijnlijk werken met bijna stabiele prijzen, omdat de produktiviteit in een fabriek sneller toeneemt dan in een ziekenhuis. De gemiddelde inflatie komt dan uit tussen de 1 ½ en 2 procent, precies wat Duisenberg beloofde bij zijn aantreden in 1999. Op maandbasis zal dat nooi precies lukken; over de volle vijf jaar van de ECB ziet de trend er goed uit.

De Londense analisten waren boos over de wisselkoers. Vóór de start van de euro hadden ze en masse aan hun clienten voorspeld dat de euro meteen een sterke reserve-valuta zou worden en dus zou winnen op de dollar. In plaats daarvan zakte de koers van de euro met meer dan 30 procent. De internationale beleggers waren niet blij met het advies uit Londen – en de analisten kozen de makkeljke vluchtroute: hun voorspelling van een sterke euro was logisch en zou ongetwijfeld zijn uitgekomen, maar wie had kunnen raden dat Duisenberg zo’n klutz zou zijn?

Nu is de wisselkoers van de euro weer precies terug bij af en we horen daar uit Londen niet zo veel meer over. Er is ook meer begrip voor wat de ECB heeft willen bereiken. In de eerste vijf jaar van het bestaan was de eerste prioriteit het opbouwen van een stabiele reputatie; daarom heeft Duitsenberg bewust geprobeerd om niet vaker dan nodig het beleid bij te stellen. Niet iedere twee maanden de rente veranderen, en zeker niet in paniek raken en beloftes doen over wisselkoersen en andere zaken waar de markt over beslist en centrale bankiers geen pretenties moeten hebben.

In Londen hebben de financiele markten de afgelopen weken een stilzwijgend compliment gemaakt aan de ECB. De olieprijzen stegen tot boven 40 dollar maar de lange rente veranderde nauwelijks. Ik denk dat de lange euro-rente nu langdurig lager zal blijven dan de lange rente in de VS en dat de energieprijzen ook de komende maanden nauwelijks effekt zullen hebben op de euro-rente. De markt vertrouwt – zelfs in Londen – dat de ECB capabel is om de euro-inflatie dicht bij 2 procent te houden. Veel is mis met de euro-zone, maar de ECB was nooit een van de hoofdschuldigen en is na een moeilijke publicitaire start nu in de luwte terecht gekomen. Bravo voor Duisenberg die dat allemaal heeft bereikt voor de helft van zijn jaarsalaris bij De Nederlandsche Bank, maar met een veelvoud van de kritiek.

Economie slapper dan in 1980-82

Zelfs in 2005 blijft de Nederlandse economie kwakkelen. Op 17 juni kwam het Centraal Planbureau (CPB) met de waarschuwing dat de groei niet hoger wordt dan ruim één procent. En die sombere prognose zou er nóg slechter hebben uitgezien wanneer het CPB niet voor volgend jaar had gerekend met een veel lagere olieprijs. Maar misschien komt de olieprijs volgend jaar wel hoger uit dan de 32 dollar in de berekening en dat betekent een nog lagere economische groei.

Als deze nieuwe voorspelling correct is, dan is de Nederlandse economie nog meer ingezakt dan in de recessie van 20 jaar geleden. Voor de vergelijking neem ik aan dat in een normaal jaar de economie kan groeien met ongeveer 2 ½ procent. Dat is vanwege de groei in de bevolking, door technische vooruitgang in het bedrijfsleven en vooral omdat oude fabrieken in de strokarton sluiten en nieuwe, efficiente firma’s productieve banen aanbieden. Diezelfde 2 ½ procent is ook de grens die aangeeft of het goed of slecht gaat met de werkloosheid. Economische groei boven de 2 ½ procent: werkloosheid daalt; groei onder de 2 ½ procent: werkloosheid neemt toe.

De feitelijke groei van de economie bleef ernstig achter bij het gemiddelde in de vijf achtereenvolgende jaren 1979, 1980, 1981, 1982 en 1983 en de werkloosheid nam ieder jaar toe. In totaal liep de economie een achterstand op van 9 procent in vergelijking met de stabiele groei van 2 ½ procent die nodig is om de werkloosheid constant te houden. Intussen is het wel zeker dat de economie ook achter blijft in de reeks van vijf jaren jaren 2001, 2002, 2003, 2004 en 2005. In totaal wordt de achterstand over deze vijf jaren 9,4 procent, dat is dus nog iets slechter dan in de periode rondom 1980.

In alle andere EU-landen is de terugval van de economie minder ernstig dan in Nederland. Zweden en Denemarken, twee landen met hoge belastingen en een dure welvaartsstaat, blijven over de periode 2001-2005 in totaal 3 en 5 ½ procent onder hun potentieel – heel wat minder ernstig dan de geschatte 9,4 procent voor Nederland. In die Scandinavische landen neemt de werkloosheid toe met 1 procent; in Nederland met 4 procent. Nederland is hekkesluiter van alle hoogontwikkelde OECD-landen en staat op een 171ste plaats van de 182 landen waarvoor het Internationale Monetaire Fonds de economische groei voorspelt, tussen de Centraal Afrikaanse Reubliek en de Solomon Eilanden maar nog wel vóór Argentinie en Zimbabwe.

Tien jaar geleden heerste in Den Haag nog de opvatting dat de wereld wat kon leren over de Nederlandse economische politiek. Ik zie nog de foto’s waarmee het SER-bulletin trots meldde dat ook de Chinese autoriteiten interesse hadden in het succesvolle poldermodel. Op de eerste foto stond SER-voorzitter Quené trots op het Plein van de Hemelse vrede; op de tweede reis naar China zagen wij zijn secretaresse tussen de Chinese gastheren – één bezoek was niet voldoende om alle subtiliteiten van het poldermodel in het Mandarijns te vertalen. Maar in zijn advisering om het Chinese communisme te voorzien van een lokale SER had voorzitter Quené niet voorzien dat de economische groei in Nederland over het totaal van de vette jaren 1996-2000 en de magere jaren 2001-2005 precies uitkomt op het gemiddelde van het hele Euro-gebied. De claim van zoveel Haagse politici, dat Nederland een traditie heeft van superieur “overleg”, is verdampt. Ook in Bangui doen ze het tegenwoordig beter, maar de SER-voorzitter kan natuurlijk nog naar Harare om zijn model aan te prijzen.

Beter past nu bescheidenheid. De Nederlandse economie mist kennelijk de veerkracht om te herstellen van slecht nieuws. Finland en Ierland hebben meer high-tech industrie dan Nederland, maar zijn al weer terug op een gezonde economische groei. In de Verenigde Staten kwam de daling van de aandelenkoersen harder aan dan in Nederland, maar de economische groei bleef slechts twee jaar onder de norm van 2 ½ procent, niet vijf jaar zoals in Nederland.

Geen een rijk land doet er zo lang over om slecht economisch nieuws te verwerken. En niet een rijk land verwacht zó veel van het recept “loonmatiging” dat al wordt uitgeschreven zonder ook maar een poging tot diagnose. Is er een verband tussen die twee observaties? Daarover de volgende keer.

Categories: Uncategorized