Archive

Archive for May, 2005

Interview met Bert Vuijsje uit "Binnenlands Bestuur"

‘Een jaar later’
Interview Eduard Bomhoff voor Binnenlands Bestuur

Bert Vuijsje

(inleidend kader:)

Op 16 oktober 2002 kwam na 87 dagen een abrupt einde aan het ministerschap van Eduard Bomhoff (59). De vroegere hoogleraar economie wilde het liefst terug naar de universiteit, maar dat bleek in Nederland voor een ex-bewindsman van de LPF niet zo simpel. Voorjaar 2003 staakte Bomhoff zijn pogingen om in zijn vaderland aan de slag te komen. Hij werkte eerst zes maanden aan de universiteit van Bahrein en sinds 14 februari is hij hoogleraar in Kuala Lumpur.

(begin tekst interview:)

Eduard Bomhoff: ‘Op de dag dat ik afzwaaide als minister wist ik dat er één ding was dat ik in ieder geval nìet wilde worden, namelijk stuurman aan de wal. Je kent ze wel, die mensen die kort of lang in de politiek actief zijn geweest en dan zendtijd vullen bij radio en televisie met ongevraagd advies. Meestal met de subtekst dat als de spreker zelf nog aan het roer zou staan, het schip tenminste met volle kracht vooruit zou kunnen stomen. Dat leek me niks. Mensen die op die manier terugkomen in de media, zijn bijna altijd nog lid van een politieke partij en kunnen er dus altijd van worden verdacht dat ze een gunst wensen van die partij of dat ze uit zijn op een mooie baan die de partij zou kunnen vergeven. Ik heb meteen diezelfde dag al – check het bij mijn vrouw – gezegd: nou dan, hoofdstuk afgesloten.
‘Ik vond minister zijn ook niet zulk erg leuk werk. Ik vond het niveau van de ambtenaren niet hoog, dus dat was hard trekken. Goed, dat is dan je werk natuurlijk. Maar ik vond het ook een heel koud wereldje. Helemaal aan het begin, na twee dagen, had ik al te maken met Johan Remkes die als minister van Binnenlandse Zaken gewoon zat te liegen. Dat was bij het overplaatsen van die ambtenaar Van Lieshout. In het kabinet beloofde Remkes dingen en prompt daarna zei hij tegen de media het omgekeerde. Toen heb ik daarover geklaagd, ook in het kabinet, en een dag daarna deed hij het weer. Dat is dan ongeveer het eerste signaal dat je van een collega krijgt: gewoon pesten en jokken. En pesten is al niet prettig, want je wordt verondersteld collega’s te zijn. Maar jokken, ja, als dat kan, dan kan alles.
‘Met Benk Korthals, Henk Kamp en Maria van der Hoeven kon ik het wel heel goed en gemakkelijk vinden. Ik hoop niet dat ik ze ongerief bezorg door ze te noemen. En met mijn staatssecretaris Clémence Ross heb ik ook nooit een probleem gehad. Benk Korthals zei een keer: Kijk, als je nou een maand voor de verkiezingen elkaar weer te lijf gaat, dat is tijdig genoeg. En in de tussentijd moet je gewoon samenwerken, want je moet met elkaar toch proberen het land iets beter achter te laten dan dat je het aantreft.
‘Dat was natuurlijk ook mijn motivatie om in het kabinet te gaan. Maar bij zo’n man als Remkes zie je wat me later is bevestigd door iemand uit de top van de VVD. Ik kan zijn naam nu niet noemen, maar hij was in de positie om het te weten en hij zei: “De VVD wou vanaf het begin af aan van het kabinet af.” Dan begrijp je ook waarom Remkes zat te pesten en te jokken. Maar dat maakte het wel een heel koud wereldje, met veel onbetrouwbaar gedrag.’

‘Er zijn wel mensen geweest die tegen me hebben gezegd: Je had wat vlotter moeten zijn, je had steeds naar Barend & Van Dorp moeten komen, dan was je misschien wel ontzettend populair geworden. Maar zou iemand als Witteveen dat hebben gedaan? Die heeft natuurlijk in een andere tijd in het kabinet gezeten, maar die heeft het gewoon afgemaakt. Er is een hele lijst van hoogleraren economie die werden gevraagd om een tijdje minister te zijn. Van den Brink kort na de oorlog, Zijlstra, Lieftinck, Duisenberg, Koos Andriessen zelfs twee keer. Ik zag mezelf in die lijst, ik had ook de leerstoel van Witteveen in Rotterdam gehad.
‘Ik geloof ook niet dat het is waar te maken dat ik het onder normale omstandigheden niet zou hebben gekund. Ik laat me niet aanpraten dat ik – na acht jaar directeur Nyfer, waar we zoveel hebben gepubliceerd over allerlei verschillende ministeries, en veertien jaar stukken in de NRC en een hele lange lijst van economische publicaties – het niet net zo goed had gekund als Witteveen of Zijlstra of Duisenberg.
‘Ik heb alleen één misrekening gemaakt. Uit de statistiek kon je zien dat bij een belangrijke wisseling in de samenstelling van coalities normaal gesproken één kabinet het helemaal afmaakt en ze pas tijdens het tweede kabinet van zo’n kleur weer met elkaar gaan zitten zaniken. Dus dat was een gunstig voorteken. Na de moord op Fortuyn en de verkiezingen van mei 2002 zei het hele establishment in Nederland bovendien: Dit is een heel belangrijk signaal, we gaan met dat signaal aan het werk. Balkenende, de VVD, iedereen riep dat. Ik ben daar heel naïef in geweest, want wat ik heb geleerd is dat ze dat helemaal niet van plan waren. Voor de VVD was het enige signaal: We willen die stemmen zo vlug mogelijk terug.’

‘Na mijn aftreden ben ik twee weken met vakantie gegaan en meteen daarna heb ik mezelf opgesloten en als een chimpansee 24 uur per dag achter de wordprocessor gezeten om dat boek Blinde ambitie te schrijven, zodat het voor Kerstmis 2002 kon uitkomen. Die titel heb ik zelf voorgesteld aan de uitgever. Ik had hem geleend van John Dean, de ex-medewerker van Nixon die tijdens de Watergate-hearings zoveel onthulde en daarover later het boek Blind Ambition schreef. Met die blinde ambitie doelde ik op allerlei mensen, inclusief mijzelf.
‘Ik ben realistisch genoeg om te weten dat mensen kunnen denken: ja, het was ook heel stom om minister te willen worden. Mijn verdediging is dat ik in 1994, bij de vorming van Paars-I, door Bolkestein al eens was gepolst. Hij belde op en zei letterlijk: “Word onmiddellijk lid van de VVD, want we zoeken een minister van Financien.” Dat was nog vóór Gerrit Zalm werd benaderd, die het uiteindelijk is geworden. Ik ben niet zo’n VVD-type, dus ik zei: “Nou Frits, dat is ontzettend aardig, maar ik zie er toch liever van af.” Wat er anders zijn gebeurd, hangt natuurlijk niet alleen van Bolkestein af, maar in ieder geval heb ik toen mijn kans gepast.
‘Bij het verschijnen van mijn boek had ik een grote meevaller, waardoor er tienduizend exemplaren extra zijn verkocht. Balkenende zei namelijk dat ik een misdadiger was omdat ik uit vertrouwelijke vergaderingen van het kabinet had geklapt. Ik liep kans op zes jaar celstraf, nounounou. Mijn uitgever Geurt Gaarlandt had gezegd: Kijk voordat je begint even goed naar het boek van Ed. van Thijn, Retour Den Haag, dan weet je ongeveer waar de grenzen liggen. Ik heb dat boek helemaal gelezen en daar wordt ten minste één keer letterlijk uit een geheim stuk geciteerd en allerlei uitspraken van ministers tijdens kabinetsvergaderingen worden met de datum erbij weergegeven.
‘Ik heb zelf alle stukken van het ministerie teruggebracht naar Den Haag, uitsluitend mijn eigen aantekeningen gebruikt en een sfeerdocument geschreven. Van Thijn had nooit enige moeilijkheid gehad, niemand had gezegd: “dat mag niet” of “dat is onbehoorlijk”. Dus die uitspraak van Balkenende was een gotspe. Donner verklaarde diezelfde dag al dat hij er een hard hoofd in had en de procureur-generaal zei ook meteen dat het hem niks leek.
‘Vervolgens hebbben ze nooit contact met mij gezocht. Nooit mij opgebeld en gevraagd: zou je willen vertellen hoe je dat hebt gedaan en wat voor bronnen je hebt gebruikt? Volgens mij is er nooit iets aan gedaan, ja misschien in een of andere Haagse heksencirkel, maar ze zijn nooit hier in Gouda geweest. Uiteindelijk hebben ze driekwart jaar gewacht en op een rustig moment, in oktober 2003, bekend gemaakt dat het kabinet geen aangifte tegen mij zou doen.
‘Het boek was daardoor wel bestseller nummer 1 in de kerstvakantie van 2002 geworden. Er zijn er twintigduizend van verkocht. In het Engelse weekblad The Economist stond in januari vorig jaar een stukje over de bestsellers in diverse Europese landen, en in Nederland stond ik boven alle boeken van die beroemde kok Jamie Oliver. Daar was ik heel trots op.’

‘Het liefste wilde ik weer professor worden. Ik had van Balkenende zeer tegen mijn zin ontslag moeten nemen als hoogleraar op Nyenrode. Mijn voorstel aan Balkenende was: ik neem wel onbetaald verlof en als het nodig is betaal ik de pensioenpremie zelf, zodat er geen enkele gunst is van Nyenrode aan mij. Want stel je voor dat dit hele avontuur mislukt. Maar Balkenende en zijn hoogste ambtenaar Wim Kuyken zeiden: dat mag niet.
‘Ik zei: wat raar, want al mijn vrienden in de VS en Israël – dat zijn toch ook beschaafde landen – nemen altijd onbetaald verlof van de universiteit als ze een regeringsfunctie gaan vervullen. Wetenschap is nou toevallig wat ze kunnen, dus dan kunnen ze weer terug als het aan z’n eind komt. Maar het mocht absoluut niet van Balkenende en Wim Kuyken. Ik heb natuurlijk gevraagd: hoe zou je nou als minister van Volksgezondheid op een of andere stiekeme en onbehoorlijke wijze Nyenrode kunnen bevoordelen? Daar konden ze niet één voorbeeld van geven, dus het was een vreemd soort formalisme.
‘Het is des te vreemder gezien een ervaring die ik in september 2002 in het kabinet had. Het ging over de uitbreiding van de EU, en de VVD had toen nog het idee dat de hervorming van de landbouwsubsidies moest worden gekoppeld aan de uitbreiding met die tien landen. Ze zijn daar later van afgestapt omdat het leek op een soort chantagepoging. We zaten er zo’n beetje vrij over te praten en ik zei dat als we nou echt iets wilden doen aan het landbouwbeleid, we zouden moeten ophouden met in Nederland suikerbieten te verbouwen. Want dat is heel slecht voor het Caribisch gebied en allerlei landen in Afrika, het kost alleen maar geld, en bovendien zien die suikerbieten er niet uit.
‘Minister Veerman van Landbouw zei meteen dat ik een ondeskundige kwast was en mijn mond moest houden. Na afloop van de kabinetsvergadering heb ik tegen hem gezegd dat ik niet gediend was van dat soort opmerkingen, en toen begon hij gewoon te schelden.
‘Pas veel later realiseerde ik me dat minister Veerman eigenaar is van een suikerbietenplantage in de Hoeksche Waard. Je hebt hier dus iemand die ongetwijfeld een voortreffelijk lid is van het CDA, het conflict of interest komt hem uit z’n oren. Want hij kan als minister die plantage wel in een trust zetten of laten beheren door een ander – die mag dan de kunstmest bestellen – maar hij blijft de eigenaar. Dus als de EU die subsidies afschaft, zal hij iets anders moeten gaan verbouwen.
‘Kortom, hij heeft zó’n groot belang, hij treedt agressief op, verdedigt die suikerbietenboeren in het kabinet, zelfs op het onbeschofte af – en dat kan dus allemaal wél. En dan heb je iemand uit de wetenschap, die al dertig jaar fulltime bij de universiteit werkt, en die mag geen onbetaald verlof nemen zoals al zijn vrienden in andere landen. Dus daarop terugkijkend denk ik: dat lijkt toch wel heel erg op meten met twee maten.’

‘Terug naar Nyenrode kon ik niet. Die hadden verlies geleden en ik was daar de best betaalde hoogleraar omdat ik heel mooi les gaf en de prijs had gekregen voor de beste docent en zo. Dus die dachten: van hem zijn we af, dat is een goedkope besparing. Ik wou ook liever iets anders, namelijk professor worden aan de Rijksuniversiteit Leiden. Ik heb er zelf gestudeerd, mijn vader was er hoogleraar, al onze kinderen hebben er gestudeerd en ik heb heel lang in Leiden gewoond. Ze hadden mij in 1995 ook benaderd om professor te worden, maar toen werkte ik net op Nyenrode en ik vond het onbehoorlijk om daar al na een half jaar weg te gaan.
‘Begin 2003 ben ik, zelfs nog met een introductie van een hele dure headhunter, op bezoek geweest bij meneer Kist, de voorzitter van het Leidse College van Bestuur. Ik kom daar, hij zit aan het Rapenburg in de oude universiteitsbibliotheek onder de geschilderde portretten van zijn illustere voorgangers, hij heeft het reusachtig naar zijn zin. We zitten een kwartier te praten en die vent zegt: “Het is heel belangrijk dat je nu in het openbaar afstand neemt van de LPF.”
‘Ik zeg: “O, dan zal ik je toch iets grappigs vertellen. Vijfendertig jaar geleden heb ik hier ook gesolliciteerd, als student-assistent bij Bernard van Praag, en de professor zegt: is het waar dat uw vader lid is van de PvdA? Toen zei ik tegen hem wat ik nu tegen jou zeg: dat gaat je dus helemaal niks aan.”
‘Het was gewoon pesten door de elite. Die man z’n broer heeft gewerkt voor het Koninklijk Huis, dus hij weet best dat wat hij zegt uitermate onbehoorlijk is. Maar Kist redeneerde kennelijk: die Bomhoff zat bij de foute partij, die zullen we eens even plagen. Terwijl het motto van de Leidse universiteit nota bene is: Presidium Libertatis, bolwerk van de vrijheid. En dat staat dan onder leiding van de heer Kist, die daar eerlijk gezegd niet zit omdat hij heeft gesolliciteerd, maar omdat het tijd was voor een ander bij de NMa.
‘Daarna ben ik nog bij drie grote ziekenfondsen op bezoek geweest. In de paar weken dat ik minister was, hadden al die lui, Wiegel voorop, gezegd: “Dat is een ontzettend goede vent, het gaat allemaal in een hogere versnelling, eindelijk weer eens iemand die verstand heeft van geld en van allerlei organisatorische kwesties.” Je kunt je niet voorstellen hoe complimenteus ze waren geweest, dus toen ik werkloos was, vroeg ik ze: is het denkbaar dat ik hier kom werken voor de strategie, dat nieuwe stelsel komt er toch aan? Nou, dat waren dus drie treinkaartjes voor niets. Het was volkomen zonde van mijn tijd. Je mag sollicitatiekosten niet meer aftrekken van de belasting, dus ik heb het nog helemaal zelf moeten betalen ook.
‘Ze dachten waarschijnlijk: hij heeft ruzie met Balkenende, en als ziekenfondsen hebben we toch met het CDA en Balkenende te maken. Omdat dit een klein land is kom je elkaar altijd weer tegen. Zo word je een soort paria in Nederland. Door te zeggen dat ik een misdadiger was, heeft Balkenende dus twee dingen bereikt. Het heeft zeker geholpen voor de verkoop van mijn boek. Maar het was ook het definitieve einde van een baan voor mij in Nederland. Daarom hebben Janneke en ik toen gezegd: we gaan nu verder gewoon solliciteren in het buitenland, volle kracht vooruit en dan maar emigreren.’

‘Ik heb geschreven op advertenties in The Economist en The Times Higher Education Supplement, en de universiteit van Bahrein was heel snel met een antwoord, want die zijn aan het uitbreiden en die hadden een professor nodig in finance. Omdat ik het helemaal niet erg vind om les te geven, ben ik daar op 1 september 2003 begonnen. Ik heb een heel semester gedaan, ik had er ook permanent kunnen blijven, maar ik vond een nog leukere baan in Kuala Lumpur, bij de Maleisische dependance van Monash University. Dat is een hele goede Australische universiteit.
‘Sinds 14 februari ben ik daar hoogleraar en hoofd van de business school. Ik heb dus weer een fulltime secretaresse en research-assistenten, en ze willen een PhD-programma opzetten. Dat zijn toch meer mijn interesses dan alleen lesgeven. Ik wil een boek schrijven over de islamitische wereld. Dat moet gaan over economie – wat is er nou mis met het Midden-Oosten, wat is er kunstmatig aan die landen – maar ook over de verhouding tussen islam, christendom en jodendom. Maleisië is daarvoor een heel interessante plek, want het is het enige islamitische land dat economisch erg succesvol is: sinds heel lang gemiddeld zes procent economische groei per jaar. Ik heb in Kuala Lumpur een vaste aanstelling en ik ben nu 59, dus inshallah zal het me zeker lukken daar mijn pensioen te halen.
‘Janneke en ik zijn heel gelukkig geweest in Bahrein en we zullen zeker ook weer heel gelukkig worden in Maleisië. Ik ben reusachtig blij dat ik mezelf heb kunnen redden, dat onze kinderen al volwassen zijn en dat ik iets kan, namelijk research en onderwijs, dat je ook in andere landen kunt doen. Stel je voor dat je in Nederland moet blijven zitten om voorzitter van de Kampeerraad te worden. Dat lijkt me pas een tragisch lot.
‘Maar er zit natuurlijk ook iets wrangs aan mijn vertrek uit Nederland. Ik heb in veertien jaar in NRC Handelsblad honderden stukken geschreven en ze zeiden altijd: jij bent samen met Heldring de beste columnist, we krijgen zoveel brieven en de lezers zijn zo tevreden, je mag nog heel lang blijven. Ik was ook jarenlang de meest geciteerde Nederlandse macro-econoom in wetenschappelijke tijdschriften, dus ik heb het echt allebei gedaan: wetenschap en populariseren.
‘En dan zie je opeens hoe betrekkelijk dat allemaal is, omdat na nog geen drie maanden in de politiek mensen zeggen: nee, dat is een hele foute man. Dezelfde Mark Kranenburg die de baas was van de opiniepagina in de NRC, geeft me in zijn recensie van Blinde ambitie een snauw: dat het een volkomen waardeloos boek is en dat het wel duidelijk is dat ik geen enkel idee had. En de hoofdredacteur van de NRC geeft ook een snauw. Die zegt: er is geen sprake van dat we ooit nog interesse in die meneer hebben. Terwijl ik helemaal niets had gevraagd.
‘Dan vraag ik me af: wat meenden ze ervan toen ze zeiden dat ik een waardevolle bijdrage leverde aan de meningsvorming van die lezers van ze? En dan denk ik: zijn mijn ideeën dan plotseling fout geworden? Zelfs als ze vinden dat het naïef, blind of wat dan ook van me was om met die politiek te beginnen. Waarom zijn mijn ideeën of mijn karakter nou zo beschadigd dat ik moet emigreren?’

(feitenkader:)

Eduard Bomhoff

Eduard Bomhoff werd in 1944 in Amsterdam geboren, studeerde wiskunde in Leiden en promoveerde in 1979 in Rotterdam tot doctor in de economie. In 1981 werd hij hoogleraar monetaire economie aan de Erasmus Universiteit en in 1994 stapte hij over naar de Universiteit Nyenrode, als hoogleraar financiële economie. In 1995 werd hij daarnaast directeur van het door hem opgerichte Instituut Nyfer (Nyenrode Forum for Economic Research). Eduard Bomhoff was dertig jaar een uiterst passief lid van de PvdA, tot hij in mei 2002 toetrad tot de Lijst Pim Fortuyn. Van 22 juli tot 16 oktober 2002 was hij minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en vice-premier in het eerste kabinet-Balkenende.

Advertisements
Categories: Uncategorized

NRCHandelsblad over het recht op zorg

Recht op zorg

Prof. Eduard J. Bomhoff

Vorig jaar viel de economische groei tegen. Minister Zalm ontving dus ook minder belastinggeld dan hij had voorspeld in de Miljoenennota. We kennen de minister echter als een sterk financieel manager, en hij maakte die reputatie opnieuw waar door met onmiddellijke ingang het BTW-tarief te verhogen naar 22 procent, uitsluitend voor de maand December. Zo haalde hij toch nog zijn afgesproken budget…..

Het gaat slecht in Nederland, maar gelukkig nog niet zo slecht. Als de ontvangst van de BTW tegenvalt, vangt de minister dat op met een extra staatslening. Dat is precies de functie van de staatsschuld, om als buffer te functioneren tussen de inkomsten en de uitgaven van de overheid. Als de inkomsten tegenvallen, hoeven ministers niet direkt te bezuinigen, maar kan de schuld de klap opvangen. Beter om de staatsschuld te laten werken als buffer voor mee- en tegenvallers, dan om bij te sturen met het tarief in de BTW. Lang geleden is ooit wel eens gesproken over een “wiebeltax” met een tarief dat voortdurend zou kunnen veranderen, maar dat slechte idee is gelukkig een definitieve dood gestorven. Bedrijven en burgers hebben al te maken met genoeg economische en financiele onzekerheden; de overheid moet niet nog een extra bron van onzekerheid worden door frequent de tarieven in de belasting te veranderen.

Om dezelfde reden hoeven gemeenten ook niet in December te stoppen met het inschrijven van nieuwe klanten voor een uitkering van de bijstand. Het recht op de uitkering is belangrijker dan de vraag of de gemeente precies uitkomt op het voorspelde bedrag in de begroting. Zo zijn er nog allerlei andere voorbeelden waar zekerheid voor burgers en bedrijven betekent dat een recht (uitkering, huursubsidie) of een plicht (betalen van belasting) ongewijzigd geldt van 1 Januari tot 31 December, ook al wordt het daarmee onmogelijk voor de overheid om vóór het begin van het jaar een plafond vast te stellen voor de uitgaven.

Het is verdrietig om te zien dat minister Hoogervorst van Volksgezondheid nu toch weer probeert om in zijn sector een dwingend budgetplafond in te voeren. Een paar dagen geleden opende deze krant met het bericht dat sommige ziekenhuizen bepaalde goedgekeurde medicijnen niet beschikbaar maken voor doodzieke patienten vanwege problemen met het budget. In een debat in de Tweede Kamer gaf Hoogervorst toe dat hij weer wil werken met een plafond in de zorg: “Keuzes maken in de zorg is normaal en onvermijdelijk. Als we de budgettering loslaten loop het geheel volkomen uit de hand.” De eerste zin is correct; de stelling die Hoogervorst daarop laat volgen is een terugkeer tot de wrede praktijk uit het verleden toen per jaar honderden patienten stierven op wachtlijsten.

Ik moest terugdenken aan 2002. De overheid had toen al pijnlijke rechtzaken verloren over het recht op zorg. In strijd daarmee kwam de eerste versie van de Troonrede toch weer met dezelfde formulering die Hoogervorst nu opnieuw probeert te slijten aan de Kamer: zo goed mogelijke zorg binnen het budget. In het kabinet werd die zin op mijn aandrang geschrapt. Omdat de minister van Volksgezondheid toen ook vice-premier was, kreeg ik van premier Balkenende ook inzage in de latere versies van de Troonrede. Ergens in Den Haag probeerde men voor de tweede keer om de gewraakte passage over de grenzen van het budget op te nemen in de tekst, en gelukkig kon ik daar opnieuw een veto over uitspreken. Uiteindelijk las de Koningin een Troonrede waarin geen plafond meer voorkwam voor de zorg. En zo hoort het ook, want in Nederland bestaat een verzekering tegen medische uitgaven, en iedere verzekering is bij definitie een “openeinderegeling”.

De Kamer wilde in September 2002 debatteren over dit cruciale punt en vroeg Hoogervorst (toen minister van financieen) en mijzelf om samen uitleg te geven. Ik zei tegen Hans van te voren: “iedere keer als jij spreekt over een “budget” in plaats van een “prognose”, gebruik ik het woord “openeinderegeling”. Zo kwamen we er samen naadloos uit: Hoogervorst benadrukte dat het ging om prognoses van de uitgaven zonder beperking op het recht op zorg, en ik herhaalde dat één keer per jaar de condities van de verzekering kunnen worden herzien. Als de totale uitgaven te snel stijgen naar het oordeel van het parlement, kan het jaar daarna het pakket van de verzekering worden ingekrompen, en zo niet, dan moet de premie omhoog of gaan verzekerden meer zelf betalen. Zo sturen verzekeraars ook met de condities van andere verzekeringen.

Onder de ministers Ruding en Kok heeft het ministerie van financien gewerkt aan het “dichtschroeien” van openeinderegelingen. Dat is mooi omdat daarmee het budgetrecht van het parlement meer solide wordt. Kamerleden moeten weten hoeveel zij autoriseren met het goedkeuren van een begroting. Maar als het gaat om een verzekering, beslist de Kamer in de kern over het continueren van die verzekering en die heeft onvermijdelijk een open einde. Bedragen in de begroting zijn dan prognoses, en geen dwingende plafonds. Eén zo’n regeling valt trouwens onder de minister van financien: de exportkredietverzekering waarbij de staat risico’s loopt in de omvang van tientallen miljarden Euro. Daar moet de minister van financien mee leven, want het is nu eenmaal een verzekering, dat wil zeggen een regeling die onzekerheden overdraagt van individuele bedrijven naar de gemeenschap. Die openeinderegeling is dan ook nooit “dichtgeschroeid”, maar de minister van fiancien verandert soms de condities en de premie. Bij de exportkredietverzekering maakt de minister ook niet de fout die jaar op jaar wordt gemaakt in de zorg, namelijk politieke uitspraken over de hoogte van de premie in het volgend jaar. Keer op keer blijken die uitspraken ongefundeerd, en daarmee creeert de minister zelf het beeld van een sector waarin niemand zicht heeft op de omvang van de uitgaven.

In de VS zijn veertig miljoen mensen niet verzekerd tegen medische uitgaven. Dat keuren wij in Nederland af, en terecht. Maar onder Hoogervorst zijn zestien miljoen mensen evenmin correct verzekerd, want als zij tegen het eind van het boekjaar in het verkeerde ziekenhuis vragen om een pacemaker of een duur medicijn, blijkt de verzekering voor hen een dode letter. Die ongelijke behandeling van gelijke gevallen is een schande, en hoeft niet voor te komen wanneer de overheid – na de kennelijk bewust vergeten discussie in 2002 – opnieuw besluit om een verzekering nooit meer te sturen met de weigering van patienten die zich melden in het verkeerde ziekenhuis of op het verkeerde moment van het jaar (of met onrealistische tarieven, zoals in de AWBZ, waarin het recht wordt uitgehold wanneer de zorg niet beschikbaar is voor de vastgestelde prijs). Een verzekering is een recht voor iedereen die de premie betaalt, en een minister die knaagt aan dat recht verdient geen respect.

Eduard J. Bomhoff was vice-premier en minister van Volksgezondheid in het Kabinet Balkenende-I.

Categories: Uncategorized

FEM 5-05 Amerikaans tekort –

Minder zorg over Amerikaanse tekort

Iedere maand heeft Amerika een gigantisch tekort in de transacties met de rest van de wereld. Vorig jaar was het tekort 666 miljard dollar – het getal van het beest uit het laatste boek van de Bijbel en het grootste tekort in één jaar in de geschiedenis. Dit jaar zal het tekort dat record nog wel breken.

Economen hebben vreselijke voorspellingen gedaan voor de Amerikaanse economie vanwege dit tekort op de lopende rekening. Recent is echter een trend zichtbaar geworden in de wereldeconomie die een gunstiger scenario suggereert voor de gevolgen van het tekort: de lange rente is wereldwijd bijzonder laag gebleven. De 10-jaars rente in Amerika beweegt al drie jaar lang in de buurt van 4 procent en dat is historisch heel laag. In Japan en het Euro-gebied is de lange rente nog aanzienlijk lager. In de Euro-zone is de lange reële rente (de rente minus correctie voor inflatie) nauwelijks meer dan één procent.

Hoe kan de lange rente zo laag zijn wanneer de wereldeconomie in 2004 een uitstekend jaar had en China en India massaal hun investeringen uitbreiden? Dan moeten er belangrijke regio’s zijn die wel veel sparen maar weinig investeren. Dat klopt: in Duitsland zijn de investeringen de afgelopen tien jaar gedaald met 2 procent en in Japan slechts gestegen met 9 procent, dat is minder dan één procent per jaar. In de Verenigde Staten groeiden de investeringen met 50 procent in de 10 jaren 1996-2005 (en in Engeland met 47 procent, hoger dan in alle grote Euro-landen!). Als Duitsers en Japanners blijven sparen maar minder investeren, dan moeten hun besparingen wegvloeien naar andere landen – bij voorbeeld naar de Verenigde Staten.

Duitsland en Japan hebben een spaaroverschot, omdat het moeilijk is om in Duitsland en Japan alle lokale besparingen winstgevend te investeren. Maar ook veel Aziatische landen waar het economisch wél goed gaat exporteren een deel van hun besparingen naar de VS. Ben Bernanke – een collega van Alan Greenspan in het bestuur van de Amerikaanse Centrale Bank – heeft een dubbele verklaring voor die hoge netto-besparingen in Oost-Azie en het Midden-Oosten. Na de crisis in Oost-Azië van 1997-98 proberen gezinnen én bedrijven zich meer conservatief te financieren met minder krediet en meer eigen geld. China ontsnapte aan die crisis, maar heeft een failliet bankwezen en dus willen ook de Chinese gezinnen op veilig spelen met hoge besparingen (45 procent van het Chinese bruto binnenlands produkt wordt gespaard). De olie-producerende landen in West-Azië profiteren van hogere prijzen voor energie en beleggen een deel van de extra inkomsten.

Als het tekort op de Amerikaanse handel het gevolg was van grote tekorten bij de Amerikaanse overheid in combinatie met Amerikaanse burgers die niet genoeg sparen, dan was er reden voor zorg over de economische toekomst. Maar als het tekort een reflectie is van extra besparingen in de rest van de wereld die een weg zoeken naar Amerika, dan is er geen crisis in Amerika (wel in Duitsland, Nederland en Japan, waar de economische hervormingen dus onvoldoende zijn om genoeg investeringen te inspireren). De hardnekkig lage rente wijst op die tweede verklaring. Kennelijk is Amerika aantrekkelijk voor buitenlandse besparingen, en de tegenhanger van zo’n massale instroom van kapitaal is een even groot tekort op de lopende rekening. Dat zal wel weer eens veranderen, maar geleidelijk en zonder noodzaak voor een financiële crisis in de dollar of de Amerikaanse conjunctuur. Het Amerikaanse tekort groeit, maar het is gelukkig geen gezwel.

Categories: Uncategorized